Onderbouw en vakken

Het programma van de onderbouw (eerste en tweede leerjaar) bestaat uit vakken die in principe voor alle leerlingen verplicht zijn. Er zijn landelijke kerndoelen vastgesteld, die aangeven wat de leerling moet kennen en kunnen. Door de algemene beschrijving kan de leerstof afgestemd worden op het niveau van de leerlingen.

Door de keuzemogelijkheden in de flexuren kunnen leerlingen zelf bepalen hoeveel leertijd per vak ze nodig hebben om de kerndoelen te halen.

Dit onderwijs, dat gericht is op “wat én hoe” de leerling op school leert, houdt kortweg in dat bij de kennisoverdracht het accent gelegd wordt op toepassing in concrete, herkenbare situaties (“leren door doen”). Daarbij is tevens de ontwikkeling van vaardigheden van belang. Om kennis toe te kunnen passen zijn immers vaardigheden nodig. Het leren van de vaardigheden komt bij alle vakken aan bod. Maar ook wát die vakken de leerling leren, is vaak niet te scheiden. Net als in het dagelijkse leven hoort veel van wat geleerd wordt gewoon bij elkaar. De school brengt dat ook bij de leerlingen over in projecten, in activiteitenweken, excursies en reizen en in de wetenschapsmodules in het vwo.

Op het Willem de Zwijger College worden in het brugjaar de volgende vakken gegeven:
Nederlands, Latijn (in gymnasium), wetenschapsoriëntatie en wetenschapsmodules (in het vwo), Engels, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde, biologie, techniek, beeldende vorming, muziek en lichamelijke opvoeding.

De andere vakken komen na het eerste leerjaar aan bod.

 

Het brugjaar
Het brugjaar kan worden verdeeld in twee perioden. Om de overgang van het basis-onderwijs naar het voortgezet onderwijs zo soepel mogelijk te laten verlopen ligt in de eerste periode het accent vooral op de gewenning en verkenning.
De tweede periode staat in het licht van de determinatie. Aan het einde van het eerste leerjaar moet immers niet alleen worden vastgesteld of de leerling naar de tweede klas bevorderd kan worden, maar tevens moet bepaald worden in welke tweede klas de leerling geplaatst kan worden. Via mondelinge/schriftelijke overhoringen, repetities en opdrachten wordt nagegaan in hoeverre de leerling de (leer)stof beheerst. Naast de vaklessen krijgen de leerlingen in de flexuren extra ondersteuning aangeboden.

In de eerste periode van het schooljaar worden in klassenverband algemene studievaardigheden aangeleerd. Dit is gericht op het soepel laten verlopen van de overstap van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs. Speciale aandacht wordt besteed aan het aanleren van een juiste studiehouding. In de loop van het jaar kunnen de leerlingen in de flexuren kiezen voor ondersteuning, gericht op het wegwerken van hiaten in kennis en inzicht en het op peil brengen van specifieke vaardigheden. De coach helpt de leerling bij het maken van deze keuzes..

Het tweede leerjaar
De leerlingen kunnen na het brugjaar worden bevorderd naar 2 vmbo, 2 mavo, 2 havo, 2 atheneum of 2 gymnasium. Naast vakken die reeds in het brugjaar zijn aangeboden, krijgen de leerlingen nog enkele nieuwe vakken.
In het tweede leerjaar worden de volgende vakken gegeven: Nederlands, Latijn en Grieks (in gymnasium), wetenschapsmodules (in het vwo), Frans, Duits, Engels, geschiedenis, aardrijkskunde, economie, wiskunde, natuur-/scheikunde, biologie, techniek, beeldende vorming, muziek en lichamelijke opvoeding. Vrijwel alle leerlingen volgen deze vakken. Enige uitzonderingen:
• op het gymnasium zijn Latijn en Grieks verplicht;
• in het vwo zijn de wetenschapsmodules verplicht
• op het mavo, havo, atheneum en gymnasium worden Engels, Duits en Frans aangeboden. Op het vmbo worden Engels en Duits gegeven.
Daarnaast staat in de 2e klassen vmbo-b/k en mavo een lesuur rekenen op het rooster.

In 2 vmbo wordt ook aandacht gegeven aan oriëntatie op studie en beroep. In deze oriëntatie worden de leerlingen geïnformeerd over de te kiezen leerwegen en sectoren in de leerjaren 3 en 4 van het vmbo. De coach helpt de leerling, samen met de studieloopbaanbegeleider, bij het maken van de keuzes.